zaterdag 13 februari 2010

wonderschoon

In deze plaats is zelfs de Stationsstraat chique. Statige oude huizen, omringd door bomen en heggen, kijken me verstolen aan. 'Wie is dat? Die dame kennen we niet', zeggen ze. 'Dat klopt. Ik ben hier op bezoek, dat zien jullie goed', antwoord ik en wandel verder met de routebeschrijving in mijn hand. De sneeuw kraakt onder mijn voeten, zonnestralen prikken door de kruinen van hoge Sparren. Vogeltjes zingen, heel zachtjes, hier hoeven ze niet hard te zingen. Een Specht is aan het werk. Gewoon, ergens in een tuin. 'Einde Stationsstraat rechtsaf', lees ik. Achter me hoor ik de Specht doorwerken. Iets verderop aan de rand van het bos, daar moet het zijn. Nog een kleine tien minuten wandelen, dan ben ik er.

donderdag 11 februari 2010

er klaar mee zijn

'Hij vertrekt na één kwartier', aldus de keurige damesstem. Wat in feite betekent dat die van nu uitvalt. En dat mijn terugreis bijna twee keer langer gaat duren. En dat die vijf minuten wachten uitmondt in twintig minuten kou kleumen.

Dan arriveert hij. Eindelijk. Een vuil-gele hondenkop, vol vermoeide reizigers. Er kan geen kip meer bij, laat staan het dubbel aantal reizigers dat nu wacht. Ik prop me naar binnen en vind zowaar een klapstoeltje. Als we vertrekken, voel ik een kont tegen mijn schouder, ontmoet ik een geurende oksel boven mijn hoofd en zit ik met mijn benen tussen die van een ander geklemd. In een halve vierkante meter om mij heen zie ik zes mensen opeen gepropt staan.

Mijn man belt. 'Ik pik je zo op, je kunt eerder uitstappen want ik werk in Zaandam vandaag.' Hij hoort het aan me, ik vind het niet leuk meer. Ik hoor het aan mezelf, ik klink mat en bozig. Als ik tien minuten later in het donker naar hem zoek, belt hij mij weer op, terwijl ik vlak bij hem sta en hij zegt: 'ik zie het van een kilometer afstand, BlueBlue. Wat ben jij er helemaal klaar mee.' En zelfs daar kan ik niet om lachen.

zondag 7 februari 2010

mannenzaak

Ik kom hier regelmatig, ken het stadje inmiddels heel aardig. Het valt me op dat veel winkelpanden leeg staan. Waar eens een handeltje floreerde, hangt nu zo'n pamflet: te huur. Dan ontdek ik in een steeg een nieuwe winkel. Een muziekzaak. Nieuwsgierig ga ik naar binnen, zie schappen vol cd's en muziek-dvd's en ander genotzaligs. De sfeer is sereen. Stil stap ik door de ruimte en bekijk de cd's. Slim concept, zie ik: muziek die in andere zaken niet meer verkocht wordt maar wel heel waardevol is voor de liefhebber; heel schappelijk geprijsd. Gretig grabbel ik, gefocust op wat ik zie. Pas als ik mijn keuze gemaakt heb, kijk ik om me heen en ineens overvalt me het gevoel alsof ik in een sex-shop sta. Ik zie allemaal mannen om me heen, mannen, volkomen gefixeerd op al dat lekkers in die bakken. Ik ben de enige vrouw hier. Wat een gek gevoel geeft dat. Vervreemdend, alsof ik hier niet hoor. Evenwel: een paar pracht CD's rijker verlaat ik de zaak weer.

vrijdag 5 februari 2010

hulp in de huishouding

'Mam, er wordt een cadeau voor jullie bezorgd. Het is heel grappig!' zei mijn zoon vorige maand. Toen het er vorige week nog niet was, hield hij het niet meer. Hij moest het laten zien. 'Kijk, mam, dit is het cadeau, weet je wel?' Gierend van de lach bekeek ik het filmpje. 'Geweldig man! Gaaf ding ook voor de kat! Wat zal Snorro er blij mee zijn!'
Gistermiddag was het zover: het cadeau werd bezorgd. Gehaast pakten we het uit. En ja hoor, daar was ie: de handige vol-automatische robotstofzuiger. Een soort UFO voor op de vloer. Een Amerikaanse damesstem vertelde van binnenuit welke knopjes waarvoor dienden.
Toen ik vanmorgen slaperig beneden kwam, snorde hij al zwierig door de kamer. Terwijl ik de krant las en mijn beschuitje at, werden de kruimels terstond verorberd door die kleine schat. Toen alles schoon was, snorde hij tevreden naar zijn docking-station. Een klik hoorde ik en toen was het stil. Het was goed rusten na gedane arbeid.

woensdag 3 februari 2010

lumineus, zo matineus

'Oooh shit, wat glad!' Verschrikt schiet ik in de oma-stand. Dat wil zeggen: ik span mijn billen, recht mijn rug, trek mijn schouders op en schuifel voort als een onderdanige Japanner. Want wederom is het spekglad buiten. Één stap buiten de deur leert mij genoeg. Dit wordt weer een wandeling vol kwellingen.
Maar dan krijg ik een lumineus idee! Zo te zien ben ik de enige uit de buurt die zoiets kan bedenken. Razendsnel glibber ik rechtdoor naar de autoweg en voel daar vaste grond onder de voeten! Opgelucht stap ik in een normaal tempo door, terwijl links en rechts van mij wandelaars wanhopige spagaten maken bij elke pas. Maar wel netjes op de stoep blijven. Wat je netjes noemt. De meesten zien er niet uit na de talloze glij- en glibberpartijen. Hun jassen zijn doorweekt, hun haar hangt in natte slierten voor hun ogen. Glimlachend bekijk ik de stumperds en wandel fluks door.
Als ik op het station arriveer, tracteer ik mezelf op een kaartje Eerste Klasse. Ik vind dat ik het verdien. Zo lumineus als ik ben tref je er niet veel tenslotte. En dat in de vroege morgen.

zondag 31 januari 2010

sanguigna arance

Ooit, ooit lang geleden zei ik tegen haar iets over bloedsinaasappelen. Dat ze zo weinig worden verkocht in Nederland, omdat veel landgenoten het eng vinden. Zij had ze ook nooit gegeten, vertelde ze terwijl ik er enthousiast één stond te pellen.
'Bloedsinaasappelen vinden we eng', vertelde ik. 'Raar hé, sanguigna arance zijn gewoon lekker, toch? Een beetje bitterzoet als rode grapefruits. En mooi, dat bloedrode sap als je ze perst. Gek hoor, wel bijna rauwe biefstuk eten we, maar geen rode sinaasappeltjes. Vanwege de associatie met bloed. Maf volkje zijn we ook.'
Vandaag zag ik haar weer, op een verjaardag. Ze herinnerde mij aan die uitspraak van zo'n 15 jaar terug. 'Weet je nog wat je toen zei, Blueblue, over bloedsinaasappels? Ik heb ze weer gekocht hoor, heerlijk.' Mooi, dacht ik, zijn er toch twee Nederlanders die het aandurven.

zaterdag 30 januari 2010

fel rakkertje

'Oh, een Roodborstje, kijk daar! Een Roodborstje in de tuin!' wijst mijn man. Voorzichtig buig ik naar voren: niet teveel bewegen, anders vliegt hij weg, weet ik. Ze zijn schuw. Als ik hem in het vizier heb, blijf ik doodstil zitten. 'Wat een schatjes zijn het ook', denk ik. 'Wat een felle rakkertjes. Met hun vurig rode borstjes, venijnige oogjes en scherpe snaveltjes.' Vanuit de Lavendelstruik kijkt hij de tuin door. Hij ziet de stukjes brood in de sneeuw, kijkt vervolgens door het raam naar ons. Op zijn hoede. Mijn kat mekkert zachtjes achter het gordijn. 'Sssst, Snorro', sis ik, 'niet doen, anders vliegt hij weg!' Ze houdt zich gedeisd. Als ik weer naar buiten kijk, zie ik het Roodborstje door de sneeuw hippen, een broodkorstje in zijn snaveltje geklemd. Daarna rommelt hij nog minutenlang in mijn tuin. En ik zit stil, kijk en geniet van het rakkertje.